Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0099

Datum uitspraak2009-01-13
Datum gepubliceerd2009-01-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 07/2294
Statusgepubliceerd


Indicatie

Exploitatievergunning padvindersclubhuizen. Verhuur. Overlast.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 07/2294 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 januari 2009 in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, tegen de burgemeester van de gemeente Zeist, verweerder. Inleiding 1.1 Bij besluiten van 29 november 2006 heeft verweerder aan de scoutinggroepen Stichting De Prinses Beatrixgroep, clubhuis ‘De Brakel’, Padvinderslaantje 2 te Zeist, Stichting Scouting Dryade, clubhuis ‘De Tra’, Padvinderslaantje 4 te Zeist, Stichting Luchtvaartgroep Zeist, clubhuis ‘Luvaze’, Padvinderslaantje 10 te Zeist, Stichting Padvindershuis De Bison, clubhuis ‘De Bison’, Padvinderslaantje 12 te Zeist, en Stichting Rambonnet Zeist, clubhuis ‘De Vonk’, Padvinderslaantje 14 te Zeist, op grond van de artikelen 2.3.1.2 en 2.3.1.4 van de Algemene Plaatselijke Verordening Zeist (hierna: APV) onder voorschriften een exploitatievergunning verleend. Deze vergunning geldt voor het exploiteren van de scoutingclubhuizen, waarbij tegen vergoeding logies aan scoutinggroepen en groepen van kinderen van basisscholen en hun begeleid(st)ers wordt verstrekt. Bij besluit van 13 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de besluiten van 29 november 2006 gegrond verklaard, in die zin dat aan de exploitatievergunningen een voorwaarde is toegevoegd. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. 1.2 De vergunninghouders Stichting Rambonnet Zeist, Stichting Scouting Dryade en Stichting Padvindershuis De Bison hebben aangegeven als partij aan deze beroepszaak te willen deelnemen. 1.3 De zaak is, samen met de zaken SBR 07/2295, SBR 07/2349 en SBR 07/2369, gevoegd behandeld ter zitting van 21 november 2008, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door N.K.J. Wiggers werkzaam bij de gemeente Zeist. De vergunninghouder Stichting Rambonnet Zeist heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. van der Jagt, P.C. van Duivenbode en M.C. van Aartsen. De vergunninghouder Stichting Padvindershuis De Bison heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J. de Klein. De Stichting Scouting Dryade is niet verschenen. 1.4 Na behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt daarin afzonderlijk uitspraak gedaan. Overwegingen 2.1 Bij besluit van 15 april 2004 heeft verweerder aan de onder overweging 1.1 genoemde scoutinggroepen een vergunning verleend voor de exploitatie van de respectievelijke clubhuizen. Tegen het verlenen van die vergunningen is door omwonenden bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 februari 2005 heeft verweerder, in navolging van het advies van de externe Awb hoor- en adviescommissie (hierna: de commissie), de besluiten van 15 april 2004 herroepen wegens strijd met de bepalingen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ in verband met het gebruik van de clubhuizen door anderen dan de betreffende scoutinggroepen. 2.2 Burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist hebben bij besluiten van 25 juli 2006 aan ieder van de scoutinggroepen vrijstelling verleend van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ voor het gebruik van de clubhuizen aan het Padvinderslaantje en bijbehorende terreinen door groepen kinderen van basisscholen met hun begeleiders en daarmee gelijk te stellen groepen. Tegen het verlenen van deze vrijstelling is geen bezwaar gemaakt, zodat deze in rechte onaantastbaar zijn geworden. Op grond hiervan is verhuur aan andere scoutinggroepen en basisscholieren met hun begeleiders niet in strijd met het bestemmingsplan. Hierdoor staat artikel 2.3.1.2, tweede lid, van de APV niet aan verlening van de exploitatievergunning in de weg. 2.3 Bij besluiten van 29 november 2006 heeft verweerder vervolgens aan ieder van de scoutinggroepen op grond van de artikelen 2.3.1.2 en 2.3.1.4 van de APV een exploitatievergunning verleend voor het tegen vergoeding verstrekken van logies aan scoutinggroepen en groepen kinderen van basisscholen en hun begeleiders in het scoutingclubhuis onder het stellen van nadere voorschriften. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen die besluiten. Op 1 maart 2007 heeft een hoorzitting plaatsgevonden en op 26 maart 2007 heeft de commissie verweerder van advies gediend. 2.4 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ten aanzien van het aantal malen dat de clubhuizen per jaar mogen worden verhuurd, onder meer gezien de beperkte overlast die daaruit voortvloeit, ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de huisregels gegrond verklaard, in die zin dat bij huisregel 8, nr. e, wordt toegevoegd dat bij buitenspelen na 22.00 uur altijd contact moet worden opgenomen met de boswachter. 2.5 In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij overlast ondervindt ten aanzien van de verhuur indien, zo begrijpt de rechtbank, verhuur van de clubhuizen meer dan 12 maal per jaar plaatsvindt. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat aan de bij de vergunningen behorende huisregel 8, onder e, toegevoegd moet worden dat bij buitenspelen na 22.00 uur altijd contact moet worden opgenomen met de boswachter. Tot slot betoogt eiser dat aan de huisregels moet worden toegevoegd dat de scoutinggroepen de contactgegevens van de beheerders van de clubhuizen op verzoek van de omwonenden aan hen verstrekt. 2.6 Artikel 2.3.1.1, eerste lid, van de APV luidt als volgt: Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis of daaraan verwante inrichting waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Ingevolge artikel 2.3.1.2, eerste lid, van de APV is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. In artikel 2.3.1.2, tweede lid, van de APV is bepaald dat de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid weigert indien de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan. Ingevolge artikel 2.3.1.2, derde lid, van de APV kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Ingevolge artikel 2.3.1.2, vierde lid, van de APV houdt de burgemeester bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond, rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. In artikel 2.3.1.4, eerste lid, van de APV is bepaald dat het de houder van een horecabedrijf verboden is dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 24.00 en 06.00 uur. 2.7 Tussen partijen is niet in geschil dat de clubhuizen van de scoutinggroepen kunnen worden aangemerkt als horecabedrijven als bedoeld in artikel 2.3.2.1, eerste lid, van de APV. 2.8 Burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist hebben aan de verleende vrijstellingen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ geen beperking verbonden ten aanzien van het aantal dagen dat de clubhuizen per jaar mogen worden verhuurd. Tegen deze vrijstellingen zijn geen rechtsmiddelen aangewend zodat die besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden. 2.9 In deze zaak is de vraag aan de orde of verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 2.3.1.2, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 2.3.2.1, vierde lid, van de APV, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de (verhuur)activiteiten van de clubhuizen de woon- en leefsituatie of de openbare orde op en in de nabijheid van het Padvinderslaantje te Zeist niet op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloeden. Verweerder dient daarbij mede rekening te houden met het karakter van de omgeving waar de clubhuizen zijn gevestigd, evenals met de uitstraling van de clubhuizen - in hun totaliteit - op die omgeving. 2.10 Gelet op de vrijheid die verweerder bij die beoordeling toekomt, dient de rechtbank zich te beperken tot de vraag of verweerder, indachtig artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, zijn besluit deugdelijk heeft gemotiveerd, zodanig dat op kenbare wijze recht wordt gedaan aan de eisen die onder meer in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb aan behoorlijke besluitvorming worden gesteld. 2.11 Vast staat dat verhuur van de clubhuizen sinds 1947 plaatsvindt en dat de verhuur sinds de jaren zeventig is toegenomen. Volgens verweerder zal de omvang van de verhuur met de verleende vergunningen niet (verder) toenemen. Ter voorkoming van overlast zijn voorschriften aan de vergunningen verbonden. Verweerder acht de nadelige beïnvloeding van woon- en leefomgeving minimaal. Bij hem zijn weinig klachten bekend over overlast ten gevolge van de verhuur (een per jaar). Een beperking van de verhuur ligt volgens verweerder niet voor de hand, omdat geen sprake is van overtreding van het bestemmingsplan als de clubhuizen worden gebruikt door groepen die naar hun aard gelijk gesteld kunnen worden aan scoutinggroepen. 2.12 Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij overlast ondervindt, maar heeft die overlast niet onderbouwd of op andere wijze aannemelijk gemaakt. De rechtbank is op grond van het in het geding SBR 07/2369 overgelegde klachtenlogboek ambtshalve bekend met een aan [X] gerichte klacht van eiser. Daargelaten dat verweerder met deze klacht ten tijde van zijn besluitvorming niet bekend was, overweegt de rechtbank dat deze klacht niet rechtstreeks is terug te voeren op de (tekortschietende) wijze van bedrijfsvoering van de vergunninghouders, nu de klacht ziet op een incident van vier à vijf jaar geleden waarbij eiser door jongeren onheus is bejegend. De rechtbank concludeert dat hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, niet aannemelijk maakt dat de vergunde exploitatie zal leiden tot een zodanige ontoelaatbare verstoring van de woon- en leefsituatie in de omgeving van de clubhuizen en/of van de openbare orde, dat verweerder niet in redelijkheid tot die vergunningverlening heeft kunnen komen. 2.13 Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door de aanvankelijk in zijn brieven van 3 juli 2003 genoemde grens van 12 verhuringen per jaar niet meer te handhaven, kan de rechtbank eiser niet volgen. De verhuur is bij de vrijstellingbesluiten van het bestemmingsplan niet gelimiteerd. Indien eiser zich daarmee niet had kunnen verenigen, had het op zijn weg gelegen bezwaar te maken tegen de verleende vrijstellingen. 2.14 Eiser heeft verder aangevoerd dat aan de huisregels moet worden toegevoegd dat de scoutinggroepen de contactgegevens van de beheerders van de clubhuizen op verzoek van de omwonenden aan hem verstrekken. De rechtbank overweegt dat de namen en de contactgegevens van de beheerders van de clubhuizen bekend zijn bij politie, brandweer en de afdeling Stadstoezicht van de gemeente Zeist. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor het verstrekken van contactgegevens geen nadere regeling in de vergunningvoorschriften nodig is. In hetgeen eiser heeft aangevoerd wordt onvoldoende aanleiding gezien om te veronderstellen dat de regeling ter voorkoming van overlast, zoals deze is neergelegd in de bij de vergunning behorende voorwaarden, niet werkbaar of praktisch minder uitvoerbaar is. Ter zitting is overigens gebleken dat de contactgegevens in de praktijk voor de omwonenden beschikbaar zijn. 2.15 De rechtbank overweegt ten slotte dat in de vergunningvoorwaarden is opgenomen dat bij buitenspelen na 22.00 uur altijd contact moet worden opgenomen met de boswachter, zodat hetgeen eiser hierover in beroep heeft aangevoerd geen nadere bespreking behoeft. 2.16 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank Utrecht, verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Binsbergen als voorzitter en mr. D.A.J. Overdijk en mr. R. Crowe als leden, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2009. De griffier: De voorzitter: mr. E. Mulder mr. G.J. van Binsbergen Afschrift verzonden op: Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.